Vragen van de leden Teeven en Weekers (beiden VVD) aan de Minister van Justitie over de mishandeling van een bijzondere opsporingsambtenaar te Weert. (Ingezonden 13 januari 2010)
1
Bent u op de hoogte van de mishandeling van een bijzondere opsporingsambtenaar (boa) op 9 januari 2010 in Weert? Bent u van mening dat dergelijke gedragingen als een structureel probleem kunnen worden beschouwd? Zo ja, wat is volgens u de oorzaak van dit probleem? Hoe gaat u dit probleem aanpakken?
Ja. Ik constateer dat geweldpleging tegen gezagsdragers in toenemende mate voorkomt. Dit is de reden voor het tot stand komen van het Programma Veilige Publieke Taak. Zie de beantwoording van vraag 4.
2
Doet u er alles aan om de verdachte op te sporen en te horen in deze zaak? Is er überhaupt een verdachte aangehouden? Gaat u de medische kosten op de verdachte verhalen indien deze schuldig wordt bevonden?
Op vrijdag 15 januari jongstleden is een verdachte aangehouden. Op dit moment is het strafrechtelijk onderzoek naar de mishandeling van het slachtoffer in volle gang. In het belang van dit onderzoek kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
3
In hoeverre is de mishandeling van de boa te wijten aan een gebrek aan bevoegdheden, zoals Burgermeester Niederer van Weert stelt? Bent u op de hoogte van het feit dat veel opsporingsambtenaren zich ernstig beperkt voelen in hun opsporingswerkzaamheden door een gebrek aan adequate bevoegdheden? Zijn er thans door de overheid maatregelen getroffen om de veiligheid van boa’s beter te waarborgen?
5
Bent u voornemens om boa’s uit te rusten met handboeien?
6
Bent u voornemens om de procedures voor boa’s te wijzigen, zodat zij een betere bescherming genieten tegen geweld? Zo ja, wanneer gaat u dit doen?
De ontwikkelingen van onder andere het geweld tegen ambtenaren in de publieke ruimte en de toenemende vraag om veiligheid in samenhang met de kerntakendiscussie bij de politie hebben er toe geleid dat het boa-bestel aan een herziening toe is. Daarom ben ik op dit moment druk bezig hieraan gestalte te geven.
Naar verwachting treedt per 1 april 2010 het nieuwe beleid ten aanzien van boa’s in werking. Het doel van het nieuwe beleid is de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te vergroten en te komen tot een transparant, flexibel en gebruiksvriendelijk boa-bestel waarbij ook maatregelen ter bescherming van de boa tegen de toenemende agressie en geweld worden genomen.
In het kader hiervan zullen – onder het nieuwe beleid - alle boa’s optioneel kunnen beschikken over de bevoegdheden ex artikel 8 lid 1 en lid 3 van de Politiewet (geweldgebruik en onderzoek aan kleding) alsmede over handboeien. Daadwerkelijke toekenning van deze bevoegdheden en handboeien geschiedt mede op advies van de betreffende korpschef en hoofdofficier van justitie wanneer de noodzaak door de boa werkgever is aangetoond. Tevens dient de boa te voldoen aan alle additionele bekwaamheidseisen zoals gesteld in de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar (RTGB).
Daarnaast kan de opsporingsbevoegdheid van alle boa’s worden uitgebreid waardoor zij in staat worden gesteld een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen op te maken indien zij te maken krijgen met agressie of geweld.
Verder zal de opleiding van boa’s worden ingericht op competenties die zien op conflictbeheersing en andere handhavingvaardigheden. Het voorkomen van escalatie moet immers voorop blijven staan.
4
Bent u voornemens om misdrijven tegen gezagsdragers zwaarder te gaan bestraffen?
In het kader van het genoemde programma Veilige Publieke Taak ben ik bezig met de aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Een van de maatregelen daarbij is om in dergelijke gevallen zwaardere straffen te bewerkstelligen. Om tot hogere strafeisen te komen, is in de BOS-Polaris richtlijnen het aantal strafpunten ter onderbouwing van de strafeis tegen werknemers met een publieke taak met 150% verhoogd ten opzichte van zaken met niet-gekwalificeerde slachtoffers.
In mijn brief van 14 oktober 2009 (TK 2009-2010, 28684, nr. 254) heb ik aangegeven dat uit onderzoek van het OM blijkt dat deze richtlijn in 86% van de gevallen met gekwalificeerde slachtoffers wordt opgevolgd door het OM.
|