Inbreng leden VVD-fractie (Weekers), 29-05-2008
De leden van de VVD-fractie hebben met grote zorg kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel. Het wetsvoorstel omvat drie fiscale maatregelen die zijn gericht op het voorkomen van excessen in beloningsbeleid, aldus de regering. De aan het woord zijnde leden zijn met de Raad van State van mening dat het wetsvoorstel een probleemdefinitie en analyse van excessieve beloningen ontbeert, achten het tijdstip van overheidsingrijpen evenals instrumentkeuze onjuist, wijzen op technische mankementen en complexiteit, signaleren dat de consistentie van het fiscale recht en de betrouwbaarheid van de Nederlandse fiscale wetgever hiermee (verder) onder druk komt te staan, signaleren dubbele belastingheffing die de Staat tot dusverre in verdragen met andere naties juist placht te voorkomen en missen overgangsrecht. Al met al vinden zij dit wetsvoorstel geen beste beurt van de regering: technisch onduidelijk en onvolkomen waarmee de belastingdienst en fiscale praktijk slecht mee uit de voeten kan; fiscale justitiabelen worden overgeleverd aan de goedheid van de instecteur en schadelijk voor het vestigingsklimaat. Opvallend is dat de regering de Raad van State erkentelijk is voor de voortvarendheid waarmee het advies is uitgebracht. De leden van de VVD-fractie hadden liever gezien dat de regering serieuzer was ingegaan op de vernietigende kritiek van de Raad van State en tot heroverweging was overgegaan. Daarin had de regering kracht kunnen tonen door zich kwetsbaar op te stellen. Maar dat kan alsnog. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. De aan het woord zijnde leden hebben vooralsnog vertrouwen in een constructieve dialoog tussen regering en parlement.
De leden van de VVD-fractie vinden de benadering van de regering die “excessieve beloningen” met de werkgeversheffing goed meent te hebben “aangepakt” kinderachtige symboolpolitiek. Zij zijn er nog niet uit of deze maatregel de naam: “symbooltax” (wegens de hoge symbolische waarde), “graaitax” (namelijk “graaien” door de staat middels dubbele heffing) of :”broddeltax” (wegens het technische werk dat is afgeleverd) de annalen in gaat. Zij vragen de regering welke van de drie benamingen zij zelf het meest toepasselijk acht. De aan het woord zijnde leden achten een principiële discussie over ingrijpen in de beloningen in de markt gewenst. Waarom doet de overheid dit? De overheid zou haar aandacht moeten vestigen op de topinkomens in de publieke sector, waaronder overheidsbedrijven, aangezien dat om belastinggeld gaat. Daarnaast moeten de checks & balances in de corporate governance zodanig zijn geregeld dat het zelfreinigend vermogen van de markt zijn werk kan doen. Hieronder gaan zij daar nader op in.
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de toelichtende stukken sprake is van grove taalvervuiling: excessieve beloningen en topinkomens worden als synoniemen gehanteerd. Dit bevestigd het beeld van Nederland dat veel verdienen niet mag. Is dat ook de bedoeling van de regering? Zo neen, op welke wijze gaat zij dit beeld corrigeren? Kan de regering aangeven wat voor impact dit beeld heeft op het Nederlandse vestigingsklimaat? Kan de regering aangeven wat zij onder topinkomen verstaat en wat zij als excessief beoordeelt en dit vervolgens ook goed motiveren? Zij wijzen erop dat de regering in de miljoenennota 2008 en de algemene financiële beschouwingen de “topinkomens” nog wilde aanpakken met het aftoppen van de aftrekbaarheid van pensioenpremies op € 185.000,-- en het zwaarder belasten van dure huizenbezitters. Thans is kennelijk die definitie van “topinkomens” losgelaten en richt de regering zich op andere groepen. Kan de regering exact definiëren wat zij onder “topinkomen” verstaat, en welk “topinkomen” zij onder welke omstandigheden nog wel, en wanneer niet maatschappelijk aanvaardbaar acht. Wat vindt de regering in dit geval van de beloning van “topartiesten” en “topsporters”?
De Minister van Financiën heeft aangegeven inmiddels ook in Europa steun te ondervinden voor zijn benadering. Waaruit bestaat die steun? Zo vragen de leden van de VVD-fractie. En hoe wordt in de respectieve EU-lidstaten het fenomeen “topinkomen” gedefinieerd en wanneer spreekt men daar van een exces? In dit kader is de grote publieke steun van premier Juncker van Luxemburg om in EU iets te doen aan inkomensexcessen wel van twijfelachtige waarde. Immers Luxemburg is een land met bankgeheim en steunt hierdoor belastingvlucht. Hoe rijmt de regering deze 2 dossiers? Is zij blij met de steun van een dergelijk land? En ziet de regering een einde aan het bankgeheim in Luxemburg?
De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat een topinkomen niet noodzakelijkerwijs excessief hoeft te zijn. Een topprestatie mag volgens de aan het woord zijnde leden ook top beloond worden. Met een topinkomen is in dit geval dan ook niets mis. Zij vragen de regering daarop te reflecteren. Er is in de ogen van de aan het woord zijnde leden pas sprake van excessen, wanneer de beloning niet te rechtvaardigen valt aan de hand van de geleverde prestaties, uiteraard gegeven de arbeidsmarktspecifieke situatie. Het systeem van checks & balances binnen een onderneming moet zodanig uitgerust zijn dat dit soort excessen worden voorkomen. Zij wijzen op de recente ontwikkelingen waarbij bedrijven zich rekenschap geven van de best-practices in het kader van de corporate governance discussie alsmede de nog recentere ontwikkelingen waarbij de aandeelhoudersvergadering de voorgestelde beloningspakketten heeft afgewezen. Om deze reden achten de aan het woord zijnde leden – nog los van de inhoud van de maatregel – overheidsingrijpen thans erg voorbarig. Zij vragen of de regering zich heeft gerealiseerd dat de aandeelhoudersvergadering pas op 1 oktober 2004 het wettelijke vaststellingsrecht heeft gekregen om in te grijpen in de beloningsstructuur? Zou het niet voor de hand hebben gelegen te inventariseren in welke gevallen daarvan inmiddels gebruik is gemaakt. Ware het niet beter deze ontwikkeling te stimuleren dan aandeelhouders nu af te straffen door hen – naast een mogelijke te hoge gouden handdruk, al dan niet opgelegd of afgedwongen door de Nederlandse rechtspraktijk – ook nog een op hun rendement te korten middels een werkgeversheffing? Ziet de regering dat uiteindelijk de aandeelhouders deze strafheffing betalen? Is de regering bereid om aandeelhoudersvergaderingen meer mogelijkheden te bieden om voortaan nog effectiever te kunnen reageren op een onbevredigend bezoldigingsvoorstel, zoals certificaathouders altijd de mogelijkheid te bieden te kunnen stemmen over het bezoldigingsbeleid? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer en in welk wetsvoorstel gaat de regering artikel 2:118a BW leden 2,3 en 4 schrappen? Geeft dit aanleiding het wetsvoorstel te heroverwegen? Zo neen, is de regering bereid een horizonbepaling op te nemen om de zelfregulering wel een kans te geven?
Ook kan in de ogen van de leden van de VVD-fractie sprake zijn van een exces in geval van “payment for failure”. Maar dit is juist door de overheid in de hand gewerkt door de rigide en achterhaalde ontslagbescherming en kantonrechtersformule die “gouden handdrukken” tot excessieve omvang in de hand heeft gewerkt. Wanneer het ontslagrecht zou worden versoepeld, kantonrechtersformule afgeschaft c.q. gehalveerd en gemaximeerd tot een jaarsalaris en bovendien de bestuurder van een onderneming uit het arbeidsrecht wordt gehaald, zal aan het verwerpelijke fenomeen “payment for failure” ras een einde komen. Zeker gecombineerd met de grotere betrokkenheid van de aandeelhoudersvergadering zoals hiervoor geschetst. Bovendien kan het wetsvoorstel ervoor zorgen dat de werkgever een strafheffing krijgt indien een werknemer wordt ontslagen (om welke reden dan ook; hoeft niet slecht functioneren te zijn) en van de kantonrechter een schadevergoeding krijgt toegewezen. Dit hoeft niet te gaan om een lid van de RvB maar kan een "normale" werknemer zijn die goed verdient. Hier botsen twee wettelijke regelingen; hier zal een keuze moeten worden gemaakt en voorkeur gaat uit naar het niet fiscaal verder afstraffen van de werkgever. Waarom heeft de regering niet de versoepeling van het ontslagrecht, versobering van de ontslagvergoeding en het uit het arbeidsrecht halen van bestuurders prioriteit gegeven boven dit wetsvoorstel?
Eveneens kan er in de ogen van de leden van de VVD-fractie sprake zijn van een exces in geval van een topbeloning in verband met de overname van een bedrijf terwijl de belangen van de bestuurder niet parallel lopen met die van de eigenaar(s) (tegenstrijdig belang). Dit kan worden tegengegaan met specifieke wetgeving die tegenstrijdige belangen van bestuurders bestrijdt. Dit wetsvoorstel heeft de regering thans in voorbereiding. Waarom heeft de regering niet eerst de tegenstrijdige belangen geregeld alvorens fiscale maatregelen als de onderhavige – die overigens totaal niet passen binnen het Nederlandse fiscale stelsel – in overweging te nemen?
Tenslotte zien de leden van de VVD-fractie een exces in geval van werknemers op de werkvloer loonmatiging wordt verlangd, mede in het licht van de concurrentiepositie en de top niet het goede voorbeeld geeft. Maar tegen dit soort excessen is de vakbeweging als CAO-partner zeer wel in staat het bestuur een koekje van eigen deeg te geven.
De aan het woord zijnde leden vragen de regering in te gaan op de door hen genoemde excessen en de instrumenten om deze excessen te bestrijden. Voorts vragen zij de regering aan te geven welke excessen zij nog meer ziet en waarom dan toch nodig is, en wel nu, van de voorgestelde maatregelen.
Dubbele belasting
De Raad van State snijdt volgens de leden van de VVD-fractie terecht het punt aan dat de regering met dit wetsvoorstel dubbele belastingen introduceert. MvT: "In reactie op de opmerking van de Raad dat de voorgestelde werkgeversheffingen leiden tot een dubbele heffing over bepaalde beloningsbestanddelen kan worden gezegd dat er in economische zin weliswaar sprake is van een dubbele heffing, maar in juridische zin niet. Er is namelijk geen sprake van een dubbele heffing over dezelfde grondslag bij dezelfde belastingplichtige."
De leden van de VVD-fractie leiden hieruit af dat de usance van een teleologische interpretatie voor de NL fiscale regels niet meer geldt; de regering geeft aan dat een grammaticale interpretatie de teleologische opzij zet. Waarom heeft de regering niet gewoon eerlijk aangegeven dat economische dubbele belasting inderdaad de bedoeling is? En op welke terreinen overweegt de regering verder nog economische dubbele belasting te introduceren? Welke gevolgen heeft dit voor het beleid inzake verdragen ter vermijding van dubbele belasting? Door de aanval van RvS proberen te ontzenuwen impliceert de regering dat agressieve tax planning in NL mogelijk is zolang er maar een juridische tekst is die de transactie ondersteunt ook al is het in strijd met doel van de wet. Dit kan toch niet de bedoeling zijn? De aan het woord zijnde leden geven de regering in overweging de economisch dubbele belasting te heroverwegen en weer zuiver in de fiscale leer te worden.
Carried interest
De leden van de VVD fractie zijn met de Raad van State van mening dat het opnemen van de regeling voor beloningen uit hoofde van carried interest in dit wetsvoorstel nadere toelichting behoeft. Dit is namelijk een onderdeel dat weinig van doen heeft met het rapport inzake Corporate Governance; de enige overeenkomst is dat het om hoge inkomens gaat. De aan het woord zijnde leden vinden het dan ook onbegrijpelijk dat het kabinet deze maatregel in hetzelfde wetsvoorstel heeft gegoten als de andere maatregelen.
De leden van de VVD-fractie zijn met de Vereniging van Participatiemaatschapijen van mening dat een einde gemaakt moet worden aan de situatie van onzekerheid voor Nederlandse en buitenlandse investeringsmaatschappijen en managers ten aanzien van belastingheffing over carried interest regelingen en dat een duidelijke en evenwichtige heffing van carried interest regelingen moet worden geïntroduceerd, in lijn met regelgeving hieromtrent in het buitenland, zodat het Nederlandse vestigingsklimaat als concurrerend en betrouwbaar wordt beschouwd.
Voor zover de regeling een antimisbruik of anti-ontwijk oogmerk vinden de leden van de VVD-fractie de gedachte erachter dus niet zo vreemd. Momenteel wordt namelijk inkomen belast in box 1 (arbeidsinkomen, winst uit onderneming, resultaatgenieter) of box 2 (aanmerkelijk belanghouder in een vennootschap) of box 3 (vermogen). Juist box 1 inkomen wordt zwaar belast; arbeid leidt tot inkomen en dat wordt tegen progressief tarief belast. Ook winst uit onderneming, waarbij de ondernemer bij uitstek risicodragend vermogen verstrekt, wordt als zodanig belast. Inspanningen die niet als loon of winst kunnen worden aangemerkt, maar wel enige inspanning/toepassen kennis vereisen, worden als resultaat uit overige werkzaamheid belast. In box 3 wordt het inkomen forfaitair belast. Hierbij geldt dat hoge rendementen niet zwaar worden belast omdat tussen inkomen (o.a. waardestijging) en ter beschikking stellen van vermogen geen verband bestaat (geen invloed).
Van carried interest beloningen, die tot dusver soms in box 3 werden belast, vragen de leden van de VVD-fractie zich af of dit onder huidige jurisprudentie en wetgeving niet al onder resultaat uit overige werkzaamheid dienen te vallen. Tenslotte is bij private equity managers wel degelijk sprake van inspanning om een bovengemiddeld resultaat te behalen, waarbij soms geen tot weinig risicodragend kapitaal wordt verstrekt. De manier van vormgeven van deze beloningen verhindert echter een aanpak en het wetsvoorstel pakt dit nu wel aan. De aan het woord zijnde leden zien op zichzelf niet zoveel bezwaren tegen de gedachte hierachter. Wel vragen zij hoe in New York en Londen dergelijke beloningen nu belast worden c.q. welke pogingen hiertoe worden gedaan. De leden van de VVD-fractie zijn met de regering van mening dat het niet acceptabel is dat dergelijke private equity managers zo weinig belasting betalen, terwijl ondernemers die echte risico’s dragen tot 52% belast worden. Een toptarief dat de aan het woord zijnde leden overigens te hoog vinden, maar dat terzijde. De voorgestelde regeling voorziet in 52% heffing. Dit loopt internationaal uit de pas, mede door het ontbreken van een corresponderende aftrek (VPB) bij de vennootschap. Kan de regering hierop ingaan? Is in dit licht een kwalificatie als fictief ab overwogen? De voorgestelde regeling houdt geen rekening met het investeringskarakter. Alle rendementen worden belast met 52%. Is het niet evenwichtiger indien alleen het overrendement dat wordt gerealiseerd door de hefboomwerking belast wordt als resultaat overige werkzaamheden? De private equity branche is zeer internationaal van karakter. Nederland moet zich met zijn fiscaal vestigingsklimaat niet uit de markt prijzen. Zij vragen of de regering dit onderschrijft. De leden van de VVD-fractie vragen de regering dan ook in een fiscaal-rechtsvergelijkend overzicht aan te geven hoe zowel de systematiek als de belastingdruk van het Wetsvoorstel zich kan meten met de belastingheffing van carried interest regelingen binnen Europa. Klopt het dat binnen Europa de belastingheffing over de met een carried interest regeling gerealiseerde rendementen gemiddeld rond 20-25% liggen, maar is de regelgeving anders is vormgegeven?
Qua bereik van de maatregel zijn er kritische noten te kraken. De criteria zijn te zacht, de voorgestelde wettekst geeft aanleiding tot talloze vragen en het wetsvoorstel bevat te veel 'overkill'. De leden van de VVD-fractie kunnen alleen akkoord gaan met een sterk afgeslankt voorstel waarvan de tekst zorgvuldiger is geformuleerd en waar beter over is nagedacht.
De leden van de VVD-fractie merken op dat in het wetsvoorstel geen eerbiedigende werking is opgenomen. Omdat ook dient te worden afgerekend over de waarde van de investering die is aangegroeid voor de datum inwerkingtreding van het wetsvoorstel, is er effectief sprake van terugwerkende kracht. Bovendien wordt geen rekening gehouden met al afgedragen Box 3 belasting, wat dubbele heffing tot gevolg heeft. De leden van de VVD-fractie vinden dit onaanvaardbaar. Zij vragen de regering bij nota van wijziging een overgangsregeling in te bouwen zoals eerbiedigende werking voor belangen die al werden gehouden voor 13 mei 2008 of een step-up regeling. Ook een eventuele fiscale afrekening bij immi- en emigratie van personen die een lucratief belang houden ondervinden genoemde onrechtvaardigheid. Ook hier zou een step-up regeling van toepassing moeten zijn. De aan het woord zijnde leden geven de regering in overweging zulks alsnog bij nota van wijziging te regelen.
Het onderbrengen van de opbrengsten uit een lucratief belang onder het resultaatregime, leidt ook tot veel onduidelijkheid bij toepassing van de belastingverdragen en kan tot dubbele heffing leiden. De aan het woord zijnde leden wensen van de regering te vernemen of in voorkomende gevallen van dubbele heffing Nederland bereid is om terug te treden of een creditering van de buitenlandse belasting toe te staan.
De initiële reikwijdte van het Wetsvoorstel betrof zogenaamde carried interest regelingen. Onder de voorgestelde wettekst vallen niet alleen carried interest regelingen maar ook reguliere management participaties en zelfs medewerkerparticipaties binnen een private equity of venture capitalist omgeving. Middels een persbericht op 22 mei 2008 heeft de Minister bestreden dat de regeling ook ziet op medewerkerparticipaties en alleen bedoeld is voor regelingen die voorzien in bijzondere condities, zoals een hefboomwerking. De leden van de VVD-fractie juichten dit in beginsel toe maar vragen om een vastlegging en verduidelijking hiervan in de wettekst. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in situaties waarbij aan medewerkers de mogelijkheid wordt geboden om in dezelfde instrumenten te investeren als de private equity investeerders (de zogenaamde Strip) met hetzelfde verwachte rendement? Het is gebruikelijk dat op een dergelijke investering een aanbiedingsregeling bij einde dienstverband van toepassing is. Deze regelingen worden voornamelijk aan een brede groep werknemers aangeboden en er is geen sprake van een hefboomwerking ten opzichte van de investeerders. Vallen op basis van de wettekst dergelijke regelingen binnen het bereik van de wetgeving?
Daarnaast wijkt onder het Wetsvoorstel de regeling voor vergelijkbare rechten af van de regeling zoals van toepassing op een investering in aandelen. Dit betekent dat indien werknemers een winstafhankelijke lening verstrekken aan hun werkgever, deze lening in beginsel onder het bereik van het Wetsvoorstel valt ongeacht of er sprake is van een hefboom effect of een disproportioneel rendement. Is dit een beoogd effect van het Wetsvoorstel?
Naast bovengenoemde situaties zijn er volgens de leden van de VVD-fractie nog tal van andere onbedoelde situaties die onder de reikwijdte van het voorstel vallen. Is het de intentie van de Minister om, bijvoorbeeld, een zelfstandig ondernemer die voor de uitbreiding van zijn onderneming een investering in preferente aandelen aantrekt van een durfinvesteerder (venture capitalist) onder deze wetgeving te laten vallen?
Op dit moment bestaan er veel onduidelijkheden in het Wetsvoorstel. Dat komt door de gehanteerde begrippen en doordat de Memorie van Toelichting een veel ruimere interpretatie geeft dan blijkt uit de voorgestelde wettekst. De leden van de VVD-fractie vragen verduidelijking ten aanzien van begrippen als ‘het beogen van een beloning te zijn’, ‘aandelenkapitaal’, het verschil tussen middellijke en onmiddellijke belangen en de reikwijdte van de regeling voor 'vergelijkbare rechten'. Dit is van belang omdat de private equity branche zeer internationaal van aard is en hierdoor gebruik wordt gemaakt van uiteenlopende rechtsvormen (bijvoorbeeld: coöperaties, LLP’s, Luxemburgse holdingvennootschappen etc.) en verschillende financiële instrumenten (Preferred Equity Certificates, Loan Stock, Shareholder loans etc.). De gebezigde begrippen dienen daarom nader te worden geobjectiveerd om onzekerheid voor de praktijk te voorkomen.
Een investering bestaat bovendien veelal uit verschillende instrumenten. Op basis van de voorgestelde tekst is het onduidelijk of deze instrumenten gescheiden dienen te worden beoordeeld of dat de totale investering als een pakketinvestering dient te worden aangemerkt. Dit is bijvoorbeeld van belang indien een zogenaamde ratchet regeling van toepassing is.
vertrekvergoeding
Voor de toepassing van artikel 32bb wordt de vertrekvergoeding forfaitair berekend. Uit het volgende voorbeeld blijkt dat salarisstijgingen in de 2 jaar voor ontslag niet alleen als ontslagvergoeding worden aangemerkt (dat is al vreemd) maar dat deze stijging zelfs 2 keer wordt meegenomen:
Loon in jaar t-2: 600.000
Loon in jaar t-1: 650.000
Loon in jaar t: 650.000 + 1.000.000 ontslagvergoeding
A: 1.650.000 (t) - 600.000 (t-2) = 1.050.000
B: 650.000 (t-1) - 600.000 (t-2) = 50.000
Vertrekvergoeding: 1.100.000. Excessieve deel: 1.100.000 - 600.000 = 500.000.
De salarisstijging van 50.000 in t-1 ten opzichte van t-2 wordt dus dubbel bij de ontslagvergoeding opgeteld. Beter zou zijn voor A (t) -/- (t-1) te doen en voor B (t-1) -/- (t-2). De leden van de VVD-fractie vragen de regering of dit de bedoeling is en zo ja waarom. Zo neen, dan vragen zij met een nota van wijziging te komen.
Administratieve lasten
Doelstelling van regeringsbeleid is vermindering van administratieve lastendruk met 25%. De wetsvoorstellen vanuit het Ministerie van Financiën die de leden van de VVD-fractie afgelopen jaar hebben gezien leiden daarentegen zonder uitzondering tot administratieve lastenverzwaring in plaats van -verlichting. Zo ook dit wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie vragen nader in te gaan op de administratieve lastendruk van dit wetsvoorstel en vragen gelijktijdig met welke “dekking”de regering komt om dit zodanig te compenseren dat per saldo 25% reductie ook merkbaar wordt gehaald.
Effectiviteit versus budgettaire haalbaarheid
De leden van de VVD-fractie vragen welk doel de regering met dit wetsvoorstel primair nastreeft: alternatieve dekking van € 60 mln. wegens het niet doorgaan van de aftopping pensioenaftrek en fiscale behandeling dure eigen woning of aanpak excessieve beloningsbestanddelen? Wanneer de door de regering beoogde gedragseffecten zich effectueren, wordt er een gat geslagen in de begroting. Hoe denkt de regering dat te dekken? Wanneer de begrotingstaakstelling wordt gehaald, is het wetsvoorstel in termen van preventie mislukt. Het heeft dan louter een “punitief karakter” zoals de Raad van state stelt en zou getoetst moeten worden aan artikel 6 EVRM.
Ten slotte
Wegens de zeer korte tijd tussen aanbieding wetsvoorstel en het verslag hebben de leden van de VVD-fractie onvoldoende gelegenheid uitputtend commentaar te geven. Zij verwachten van de regering dat serieus op de ingebrachte punten wordt ingegaan. Voor zover nog niet aan de orde gesteld verzoeken zij teven in te gaan op het commentaar van de Nederlandse Orde van belastingadviseurs dat vooral technisch van aard is.
|