| |
Vragen van de leden Luchtenveld, Weekers en Van Schijndel (allen VVD) aan de minister van Justitie over het strafrechtelijk onderzoek naar de Taxi Centrale Amsterdam.
(Ingezonden 10 april 2006)
1
Hebt u kennisgenomen van de uitkomsten van het onderzoek naar de Taxi Centrale Amsterdam (TCA), dat in opdracht van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam is uitgevoerd?1
2
Is het waar dat al meer dan vijf jaar strafrechtelijk onderzoek naar de bedrijfsmatige activiteiten van de TCA wordt gedaan? Wat is de reden dat het zo lang duurt voordat door het openbaar ministerie een besluit over het vervolgen van de directie en het bestuur van de TCA dan wel het seponeren van de zaak wordt genomen, terwijl de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam binnen negen maanden een rapport over TCA heeft kunnen opstellen?
3
Is het waar dat het strafdossier in de afgelopen jaren is gewijzigd? Zo ja, waarom? Is inmiddels door toedoen van het langdurige strafrechtelijke onderzoek één element (oplichting) uit de oorspronkelijke tenlastelegging verjaard? Hoe beoordeelt u deze situatie?
4
Hoe denkt u in de toekomst te bevorderen dat personen en bedrijven die van ernstige strafbare feiten worden verdacht daadwerkelijk een dagvaarding krijgen teneinde voor de rechter te verschijnen?
1 De Telegraaf, 3 april 2006.
Antwoord
Antwoord van minister Donner (Justitie).
(Ontvangen 3 mei 2006)
1
Ja.
2
Het strafrechtelijk onderzoek naar de TCA is in april 2000 gestart en heeft geleid tot de aanhouding van drie verdachten op 27 februari 2001 en tot het instellen van een aantal gerechtelijke vooronderzoeken. De politie heeft op basis van de resultaten van het opsporingsonderzoek een omvangrijk dossier samengesteld. Dit dossier is op 4 juli 2002 aan het Openbaar Ministerie overgedragen. De behandelend officier van justitie heeft na bestudering van dit dossier in het voorjaar van 2003 bij de rechter-commissaris nadere vorderingen ingediend tot uitbreiding van de gerechtelijke vooronderzoeken. De verdediging heeft bij de rechter-commissaris gedeeltelijke afwijzing van deze nadere vorderingen bepleit en een verzoek ingediend om circa 270 getuigen te horen. De officier van
justitie heeft de rechter-commissaris verzocht om 16 getuigen te horen. Uiteindelijk is bepaald dat 150 getuigen door de rechter-commissaris gehoord worden. Een groot aantal van deze getuigenverhoren heeft in 2004 plaatsgevonden. Sindsdien heeft er wisseling plaatsgevonden van zowel de behandelend officier van justitie als de behandelend rechter-commissaris. Op dit moment moeten nog ongeveer 40 tot 60 getuigen door de rechter-commissaris worden verhoord. De verhoren zullen, vanwege de werklast van het kabinet
van de rechter-commissaris, vermoedelijk pas in september/oktober 2006 kunnen plaatsvinden. De officier van justitie zal uiteraard pas na afloop van alle getuigenverhoren een beslissing kunnen nemen over (de inhoud van) een aan de verdachten uit te brengen dagvaarding. De duur van het strafrechtelijk onderzoek wordt met name bepaald door het horen van een uitzonderlijk groot aantal getuigen door politie en een nog groter aantal getuigen door één rechter-commissaris op basis van een zeer omvangrijk onderzoeksdossier.
Het onderzoek van de ondernemingskamer van het gerechtshof is van geheel andere orde dan het bovenomschreven strafrechtelijk onderzoek. Eerstgenoemd onderzoek richt zich op het beleid en de gang van zaken bij de TCA. De bevindingen uit dat onderzoek behoeven niet te voldoen aan de strafvorderlijke bewijsregels.
3
De officier van justitie heeft lopende het onderzoek geoordeeld dat ten aanzien van een aantal vermoedelijk gepleegde strafbare feiten er sprake was van onvoldoende bewijs. Dit betrof onder meer de verdenking ten aanzien van het strafbare feit «oplichting». Er is evenwel
uitdrukkelijk geen sprake van verjaring als gevolg van een jarenlang durend strafrechtelijk onderzoek. De verjaring is gestuit in 2001 met de opening van de gerechtelijke vooronderzoeken, althans met de kennisgeving daarvan aan verdachten. Wel is het zo dat het onderzoek aanvankelijk ook was gericht op verdenking van oplichting gepleegd in 1993. Dat feit was echter al verjaard, gelet op de verjaringstermijn van zes jaar.
4
In zijn algemeenheid wil ik opmerken dat zowel het Openbaar Ministerie als ik er belang aan hechten dat personen en bedrijven die van
ernstige strafbare feiten worden verdacht, zich daadwerkelijk voor de rechter moeten verantwoorden. Zoals ik in antwoord op vragen 2 en 3 echter heb aangegeven, kan de officier van justitie pas een beslissing over (de inhoud van) een aan de verdachten uit te brengen
dagvaarding nemen, nadat alle getuigenverhoren hebben plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond. Gelet op de stand van het onderzoek is de conclusie, dat de verdachten geen dagvaarding zullen ontvangen, in ieder geval voorbarig.
|